- vanaf 11 juni 2020 -

Categorie: Blog (Pagina 2 van 16)

Jacques Anquetil en de eenzaamheid

Mensen met een (te) groot talent zijn eenzaam. Ze begeven zich op terrein waar niemand anders, of bijna niemand anders, kan komen. Misschien weten of beseffen ze dat niet, maar het is wel waar. Die eenzaamheid bepaalt en doordringt hun leven. Zelfs als ze altijd omringd zijn door andere mensen, staat die eenzaamheid als een muur tussen de getalenteerde en de rest van de wereld.

Topsporters, acteurs, kunstenaars, – als ze zich op een bepaald niveau begeven, valt de begroeiing weg en wordt het landschap kaal, de lucht ijl. En de wereld vindt dit niet gezellig. Eenzaamheid én een groot talent hebben is onverdraaglijk, behalve als de eenzame getalenteerde ‘een verhaal’ heeft en zich gemakkelijk laat bewonderen door de mensen die hem willen bewonderen. De eenzame getalenteerde moet af en toe op een gewoon mens lijken, anders is er niks aan. Lees verder

Teruggevonden gedicht uit ‘Oudegracht’ (2011)

UTRECHT, BEMUURDE WEERD

Brak je mij het hart maar, dan had ik tenminste
redenen om toorn of wraak van stal te halen.
Een wens van niks, maar helpen doet het wel. Hier ligt
Utrecht, achter ons. Ik geef je mijn recente
kladschrift. Een groots bedoeld gebaar. Mislukt
en deels misplaats. Maar niet verkeerd. Het zijn
rommelingen van het hart. Droedels bij de tocht.
Straks wandelen we, hopelijk nog samen, weg.

Het zijn ook de omstandigheden. Met
uitzicht op een rustig leven, zwijgt het hart.
Breek het niet open. Laat het kloppen wat het doet.
En kijk niet om. Kijk niet vooruit. Het is alleen maar
ruis. Sluit je ogen. Wat er ook gebeurt, ik
sta met open armen waar ik sta.

© Chrétien Breukers

Joseph Roth, 82e sterfdag

Vandaag 82 jaar geleden stierf Josep Roth. Zijn laatste roman was ‘Die Kapuzinergruft’, met de mooie slotregels:

Der Morgen graute über den wildfremden Kreuzen. Ein leiser Wind ging und schaukelte die greisen Laternen, die noch nicht, in dieser Nacht nicht, erloschen waren. Ich ging durch leere Straßen, mit einem fremden Hund. Er war entschlossen, mir zu folgen. Wohin? – Ich wußte es ebensowenig wie er.
Die Kapuzinergruft, wo meine Kaiser liegen, begraben in steinernen Särgen, war geschlossen. Der Bruder Kapuziner kam mir entgegen und fragte: »Was wünschen Sie?«
»Ich will den Sarg meines Kaisers Franz Joseph besuchen«, erwiderte ich.
»Gott segne Sie!« sagte der Bruder, und er schlug das Kreuz über mich.
»Gott erhalte …!« rief ich.
»Pst!« sagte der Bruder.
Wohin soll ich, ich jetzt, ein Trotta? …

Ja, waarheen? Dat weten we tot op vandaag niet. Trotta en Roth konden nergens heen. In dit slot klinkt het ontroerende ritueel door dat bij de Kapuzinergruft plaatsvindt als een Habsburgse vorst sterft. Drie keer wordt er aangeklopt en pas op het laatst, als de vorst is teruggebracht tot een sterfelijk en zondig mens, mag hij de eeuwigheid in. Zie bijgaand filmpje, waarin Otto von Habsburg het toegangsritueel doorstaat.

Addendum 10: Salontafelgedachten

De meeste columns bevatten salontafelgedachten. Toch begin ik altijd vol moed aan de tekst, in de hoop dat ik eindelijk iets leer. Bijna altijd kom ik bedrogen uit, — misschien is dat nodig, misschien zijn al die teleurstellingen de humus voor de enkele keer dat de verrassing niet uitblijft. Ik vertoon een conservatieve reflex: ik wil iemand lezen met een vastomlijnd wereldbeeld, iemand met uitgesproken ideeën en opvattingen, iemand die elke week of om de paar dagen even een vuist balt. Wat ik in boeken niet zoek, zoek ik in columns. Een verhaal dat me bij de arm pakt en de goede kant op duwt. Overigens is ‘salontafelgedachten’ een nieuw woord, dat ik volgens mij zelf heb bedacht.

Addendum 9: Een goed boek, of niet?

Ik lees een boek. Een roman. Een debuut. Is het ‘goed’ of ‘slecht’? Of iets ertussenin? Ik weet het niet. Het lukt me niet om een oordeel te vellen, tijdens het lezen. Voor het eerst in mijn leven heb ik het gevoel dat ik te oud ben om iets te vinden tijdens mijn lectuur. Of juist te jong. Wat me wel lukt: de kale, ruwe stijl bewonderen. Ja, met die inzet wil ik ook schrijven. Misschien is inzet een betere graadmeter dan stijl? Of gaan inzet en stijl hand in hand? Ben ik te mild geworden? Ben ik mijn oordeelsvermogen kwijt, tout court? Waar komt dat tout court ineens vandaan? Waarom gebruikte ik ‘’ in de vierde zin van dit stukje? Wat te doen? Het boek uitlezen.

Addendum 8: Simon Vestdijks vijftigste sterfdag

Tijdens het uitpakken van mijn boeken kom ik erachter dat ik best veel van Vestdijk heb. Als je de manier waarop mijn bibliotheek de laatste tien jaar heeft gezworven in ogenschouw neemt: een redelijke prestatie. De redding van Fré BolderheyMeneer Visser’s hellevaartDe koperen tuin – alle titels maken de lust tot herlezen wakker. Vestijks oeuvre is geen gebergte, het is een park waarin je rond kunt lopen, en soms moet je even klimmen. Tijdens de wandeling val je van de ene verbazing in de andere. Zó goed geschreven. Zó goed verteld. Inzicht. Stijl. Gevoeligheid. Hij dreigt vergeten te worden, zegt men, maar ik ken best veel mensen die af en toe een boek van Vestdijk lezen. Ligt dat aan mijn bubbel of valt het met dat vergeten-zijn wel mee? Voor de mensen die nog niet into Vestdijk zijn: kleine Uil herdrukte Een alpenroman. Lezen. En kopen.

Addendum 7: Jean Nelissen

Met een vriend die op bezoek is, praat ik over Jean Nelissen. Ooit was Nelissen God in Limburg en omstreken. Hij schreef, elke dag, over sport en over van alles en nog wat. Hij woonde in een kasteel. Een ouderwetse journalist was hij, iemand die niet per se feiten nodig had om een goed verhaal te typen. Typen, ja. Op een typemachine. We herinneren ons, allebei Limburgers, de sensatie die ons overviel in 1980, na de opgave van Bernhard Hinault in de Tour de France. Het nieuws was al bekend, maar de achtergronden ontbraken. Die werden de volgende ochtend verstrekt in De Limburger. Nelissen had zijn diner onderbroken toen hij over de opgave hoorde, spoedde zich naar de hotelkamer waar hij verbleef en schreef daar een voorpagina-artikel. Mijn vriend en ik wisten na het lezen daarvan alles. En Joop Zoetemelk won de Tour de France.

Addendum 6: Astrid H. Roemer

Van Astrid H. Roemer heb ik één boek gelezen, omdat ik dat ooit van iemand kreeg voor mijn verjaardag. Het is een novelle, Waarom zou je huilen mijn lieve, lieve… Een aardig verhaal, met een bitter einde. Ik ga dat einde niet verklappen, dat doet Wikipedia al. Verder is het oeuvre van Astrid H. Roemer een blinde vlek in mijn leesleven. Gisteren schaamde ik me daar plotseling voor, alsof ik al die jaren tekort heb geschoten. Nu krijgt ze, na de P.C. Hooftprijs de Prijs der Nederlandse Letteren. Hoger kan een auteur in Nederland niet stijgen. Het eerste gemor is al hoorbaar: betreft het hier een bekroning van een oeuvre of van een afkomst? Zelfs voor dat gemor schaam ik me. Ik vraag me af of die schaamte gerechtvaardigd is, of dat ik me de leeswet dreig te laten voorschrijven om van het almaar aanzwellende getetter van de inclusiviteitslieverds af te zijn. Hoe dan ook, ik ga een paar boeken van Astrid H. Roemer lezen. Ik wel.

Addendum 5: B. Zwaals vervloekte boeren

Foto © Koos Hageraats

Bij de bekendmaking van de exit polls deze week dacht ik: ‘vervloekte boeren, hun hoeden staan scheef, hun humeuren / hangen er half onderuit.’ Misschien is het een idee om deze regels op een servet af te drukken en dat servet te verspreiden in het restaurant van de Tweede Kamer. Ze zijn van B. Zwaal, een Nederlandse dichter. Een onbekende dichter die veel bekender zou moeten zijn. Het Nederlandse taalgebied wemelt ervan, van dichters die meer aandacht verdienen en al jaren op schemerstand in de marge staan. Ik sla zijn tweede bundel bos in ’t rot open en lees:

in de rede van nergens loopt
sneeuw
de scheur van het hart stroomt vol
schreden

Addendum 4: Een dik meisje in een zilverkleurige onderjurk

Ik sta op het balkon. Aan de overkant: een dik meisje in een zilverkleurige onderjurk. Ze wast de ramen. Ik probeer niet naar haar te kijken, maar dat lukt niet. Inmiddels heeft ze door dat ik er sta. Wat te doen? Weggaan is een vorm van toegeven dat ik haar zie. Ik pak mijn telefoon en doe net alsof ik iemand opbel. Ik bel niemand op. Het is een ongemakkelijke situatie aan het worden. Het meisje komt nu toe aan de bovenkant van het raam. De onderrand van haar onderjurk kruipt een beetje omhoog. Plotseling heb ik zin om haar aan te moedigen. ‘Was maar,’ denk ik, ’was… was dan.’

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2024 De Nieuwe Contrabas

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑