Dichters schrijven over het schrijven van gedichten. Het is onvermijdelijk. Ik lees dat soort gedichten graag. Meta is mijn tweede voornaam. Dichters lijden. Dat is even onvermijdelijk. Ook daar schrijven ze over. Mij is het beschreven leed niet snel te dol. Paul Rodenko was essayist en dichter, zijn hele leven hing van de dichtkunst aan elkaar. Hij dronk. Om niet te zeggen: hij zoop. Daarnaast plaveiden geldzorgen en gezondheidsproblemen zijn weg naar de hel, waarvan hij in 1976 op zesenvijftigjarige leeftijd het eindpunt bereikte.

Bij leven publiceerde hij twee dichtbundels: Gedichten (1950) en Stilte, woedende trompet (1959). In 1975 verschenen zijn verzamelde gedichten, onder de titel Orensnijder tulpensnijder. ‘Dichterschap’ is het openingsgedicht van zijn debuut.

Echt een vrolijk gedicht is ‘Dichterschap’ niet; maar hé, zo leuk is het ook niet, gedichten schrijven. Je schrijft een korte tekst voor twaalf lezers en een snurkende recensent, en het schrijven van die tekst gaat nooit zonder enorm veel moeite. Moet dat allemaal zo nodig? Wie zit er op te wachten? Voor de gemiddelde dichter is de existentiële crisis nooit ver weg, of al definitief aangebroken. Wie gedichten schrijft, kan het zich niet eens permitteren om een narcist te zijn. Want een beetje narcist kan niet toe met de weinige aandacht die een leven in de dichtkunst over het algemeen genereert.

En Rodenko?

Mij lijkt dat hij met een eerste gebundelde gedicht dat zó eindigt – ‘Dan krast hij stom de woorden neer / (één woord per uur), / waarin de dingen als een zweer / moeizaam etterend opengaan.’ – niet echt inzette op een groot, rijk en gevarieerd oeuvre. En toch… Ik lees dit eerste gedicht van Rodenko liever dan de eerste gedichten van mede-Vijftigers als Simon Vinkenoog, Hans Andreus of Sybren Polet. Hij begon goed, vermoed ik. Hij had er alleen bij voorbaat al niet echt een hoge pet van op. Het bleef bij twee bundels en een miniatuurversie van een verzameld werk. Rodenko is de minor poet die groter had kunnen zijn (en in sommige gedichten groot is).

 

Dichterschap

Wanneer de slangen van het brein
zich volgevreten hebben aan de dingen,
elke klank zich tot een drein
verlangzaamd heeft,

– herinneringen
drijven stijf als dode beesten
in een gracht;
de spiegel is gedoofd;
de lamp laat zijn gezwollen hoofd
zwaar op de tafel rusten –

neemt de dichter, als een kil lancet,
met tegenzin de pen ter hand:
het blad kijkt hem venijnig met
gelei-gesteelde ogen aan.
Nog aarzelt hij. Het licht
wordt wezenloos als traan;
de stilte staat pal op zijn borst gericht.
Dan krast hij stom de woorden neer
(één woord per uur),
waarin de dingen als een zweer
moeizaam etterend opengaan.