
Foto: C. Breukers
Iets meer dan een jaar geleden schreef ik een mild-ironische column over Remco Campert, die op mijn weblog te lezen is. Remco gaat nooit dood, de woorden van de al lang geleden gestorven Lucebert beginnen omineus te klinken.
Remco gaat nooit dood: vijf geleden zag ik Campert in Oud-Zuid, twee boodschappentassen in de hand, naar zijn huis schuifelen. Het leek wel of hij uit zijn leven schreed. Maar hij ging dus blijkbaar toch gewoon naar huis. Lees verder
Hoe gaat dat nou, lezen? Net zo chaotisch als schrijven. Toen ik vanochtend wakker was, wilde ik beginnen aan dit stuk; maar het is zaterdag, ik neem dan altijd uitgebreid de krant door (sinds ik een abonnement heb op de digitale Trouw en daarbij via Topics ook grote delen van de Volkskrant, Het Parool, AD, De Morgen, Het Laatste Nieuws en een trits regiokranten kan lezen een heel werk). 
Beste Thomas de Veen,
Ik zit met een vriend tegenover de CocoVan die aan de oever van de Moldau staat. We drinken home mad lemonade, waarin van alles drijft en ritselt. Terwijl we naar ons uitzicht kijken, lieve mensen die ook aan de oever van de Moldau zitten, de rivier, Slavia en het Nationaal Theater – de zon schijnt en het beloofde onweer is overgewaaid – komt het gesprek op de schrijver Joubert Pignon, die tegenwoordig weer wil operen onder zijn echte naam Robert Schuit.
We naderen Nymburk. Mijn gevoelens zijn alleen maar te omschrijven met dit bijvoeglijk naamwoord: plechtig. Bohumil Hrabal noemde de plaats waarin hij opgroeide als het zoontje van de beheerder van de plaatselijke brouwerij Het stadje waar de tijd stil is blijven staan, maar voor mij komt de tijd nu pas in beweging. Ik bezoek Nymburk voor het eerst (en waarschijnlijk voor het laatst).
De collega-schrijver over wie ik
Een collega-schrijver en ik voeren een weemoedig gesprek.
Recente reacties